NN mag wettelijke aansprakelijkheidslimiet toepassen na ernstig letsel bij boottocht
Nationale-Nederlanden mag bij de afwikkeling van ernstig letsel dat een passagier opliep tijdens een snelle boottocht over de Biesbosch een beroep doen op de wettelijke aansprakelijkheidslimiet voor personenvervoer over binnenwateren. Dat heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld in een vonnis van 26 augustus 2026. De wettelijke rente valt volgens de rechtbank niet onder die limiet. Over de buitengerechtelijke kosten oordeelde zij in dezelfde zin, maar ten overvloede.
ECLI:NL:RBDHA:2026:24311
Het ongeval gebeurde op 2 juli 2016 tijdens een tocht met een Rigid Inflatable Boat (RIB). Een vriendin van de benadeelde had die tocht gewonnen bij een actie van C.V. Biesbosch Adventures (BBA). Voor de uitvoering maakte BBA gebruik van een boot en een schipper die door Euro Offshoreservices B.V. ter beschikking waren gesteld.
De benadeelde zat op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waarop zijn voeten rustten. Anders dan de overige zitplaatsen in de RIB was zijn plaats niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden. Toen de boot op hoge snelheid voer, raakte hij los van zijn zitplaats, kwam ten val en brak een ruggenwervel. Hij is geopereerd en houdt sindsdien zenuwpijn in beide benen, met gevolgen voor zijn werk en zijn privéleven.
Aansprakelijkheid erkend, limiet pas later genoemd
BBA was ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Nationale-Nederlanden, voor maximaal € 2.500.000 per aanspraak en € 5.000.000 per verzekeringsjaar. De verzekeraar erkende op 20 oktober 2021 aansprakelijkheid voor 'de rechtens vorderbare schade' uit het voorval van 2 juli 2016.
Op 11 november 2022 stuurde de advocaat van de benadeelde de schadestaat van 1 september 2022 aan NN. In een brief van 22 mei 2023 liet NN weten dat zij de zaak behandelde op grond van het vervoersrecht en dat daarom de limiet van artikel 8:983 lid 1 BW gold: € 137.000, door NN met het oog op geldontwaarding herrekend naar € 225.345 voor 2016.
BBA is vervoerder in de zin van de wet
De benadeelde stelde dat niet BBA maar Euro Offshoreservices de vervoerder was, omdat dat bedrijf de boot en de schipper leverde. BBA was volgens hem slechts organisator, zodat het vervoersrecht en daarmee de wettelijke beperking van aansprakelijkheid niet van toepassing waren.
De rechtbank volgt dat betoog niet. Op grond van artikel 8:970 lid 1 BW is vervoerder de partij die zich contractueel verbindt om reizigers aan boord van een schip over binnenwateren te vervoeren. De actie waarmee de boottocht was gewonnen, was uitgeschreven door BBA; daarmee heeft BBA zich verbonden de tocht uit te voeren. Dat zij daarvoor een boot en schipper van een ander bedrijf inzette, doet niet ter zake. BBA is dus vervoerder en kan zich in beginsel beroepen op de limiet van artikel 8:983 lid 1 BW en de daarbij behorende algemene maatregel van bestuur.
Geen bewuste roekeloosheid vastgesteld
De benadeelde probeerde de limiet te doorbreken met een beroep op bewuste roekeloosheid, de uitzondering van artikel 8:984 lid 1 BW. Hij wees op de inrichting van de zitplaats en op het al ruim vóór 2016 bekende risico op wervelletsel wanneer een RIB op het water klapt. Degene die de boot had ingericht, volgens de benadeelde uiteindelijk belanghebbende van zowel BBA als Euro Offshoreservices en al twaalf jaar actief als botenbouwer, zou dat risico hebben gekend.
Dat beroep slaagt niet. Voor bewuste roekeloosheid van BBA is nodig dat de gedragingen en de kennis van die persoon aan BBA kunnen worden toegerekend. Daarvoor is te weinig gesteld: niet is gebleken dat hij (beherend) vennoot van BBA was of zich intensief met de gang van zaken binnen BBA bemoeide. Of zijn handelen op zichzelf als bewuste roekeloosheid kan worden aangemerkt, laat de rechtbank uitdrukkelijk in het midden.
Geen rechtsverwerking
Ook het argument dat NN haar recht had verwerkt om zich alsnog op de limiet te beroepen, wordt verworpen. Voor rechtsverwerking is meer nodig dan tijdsverloop: er moeten bijzondere omstandigheden zijn waardoor bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het recht niet meer wordt ingeroepen, of waardoor haar positie onredelijk wordt benadeeld. Omdat het gaat om de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, past de rechter terughoudendheid.
In de erkenning van 20 oktober 2021 staat niet dat NN afziet van een beroep op de limiet, maar ook niet dat zij zich daarop beroept. Het achterwege laten van een uitdrukkelijk beroep levert volgens de rechtbank geen rechtsverwerking op. Van belang is dat NN pas rond 11 november 2022 werd geïnformeerd over de omvang van de per september 2022 begrote schade, die de limiet overschreed; zes maanden later beriep zij zich op de limiet. Ook uit het in opdracht van NN opgestelde Rapport Personenschade van 2 maart 2022 kon de benadeelde niet afleiden dat de limiet buiten beeld bleef.
De rechtbank merkt daarbij op dat de benadeelde werd bijgestaan door een advocaat. Van een advocaat mag in een zaak als deze worden verwacht dat hij zijn cliënt informeert over het bestaan van de wettelijke limiet voor de aansprakelijkheid van een vervoerder.
Ernst van het letsel is al in de limiet verdisconteerd
De benadeelde deed daarnaast een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hij wees op de ernst van zijn letsel, de hoogte van de begrote schade, het ontbreken van voorzorgsmaatregelen aan boord en het tijdsverloop sinds het ongeval.
De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2018, dat over dezelfde binnenvaartlimiet ging. Daarin is bepaald dat een wettelijke aansprakelijkheidsbeperking alleen buiten toepassing kan blijven bij bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle door de wetgever zijn verdisconteerd, en die toepassing van de limiet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat zij achterwege moet blijven. In hetzelfde arrest aanvaardde de Hoge Raad dat de limiet wordt gecorrigeerd voor geldontwaarding.
Volgens de rechtbank zijn de ernst van het letsel en de hoogte van de schade juist wél verdisconteerd in de geïndexeerde limiet. Dat geldt ook voor de aard van het verwijt aan BBA, het nalaten de veiligheid te waarborgen dan wel voor risico's te waarschuwen: de limiet geldt voor alle soorten gedragingen. Dat de afwikkeling lang heeft geduurd is op zichzelf niet genoeg, temeer omdat niet is gebleken dat die duur aan NN te verwijten valt. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten stranden op de onderbouwing
De benadeelde vorderde € 38.840 aan buitengerechtelijke kosten. Die voorwaardelijk ingestelde vordering wijst de rechtbank af. Hij heeft de kosten niet met gespecificeerde facturen onderbouwd en is niet ingegaan op het verweer dat zijn kosten van rechtsbijstand al door zijn rechtsbijstandsverzekeraar werden vergoed. Daardoor staat niet vast of, en zo ja voor welk bedrag, hij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.
Ten overvloede overweegt de rechtbank wel dat buitengerechtelijke kosten naar haar oordeel niet onder de vervoersrechtelijke limiet vallen. De wet en de algemene maatregel van bestuur laten dat in het midden. Het gaat volgens de rechtbank om wezenlijk andere schade dan de eigenlijke vervoersschade; zouden deze kosten wel onder de limiet vallen, dan blijft er minder ruimte over voor vergoeding van de personenschade zelf. Steun daarvoor ziet de rechtbank in het Verdrag van Athene, waarop de limiet in het Burgerlijk Wetboek is gebaseerd en waarin buitengerechtelijke kosten evenmin onder de limiet vallen. Omdat de vordering al op de onderbouwing strandde, draagt deze overweging de beslissing niet.
Wettelijke rente komt bovenop de limiet
Voor de wettelijke rente is het oordeel wel dragend. NN stelde dat ook de rente binnen de limiet valt; de rechtbank verwerpt dat. Wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is een vergoeding voor vertragingsschade. Die schade ontstaat niet door het voorval zelf, maar doordat de vervoerder of zijn verzekeraar de verplichting tot betaling van schadevergoeding niet nakomt.
Het ligt volgens de rechtbank niet voor de hand dat de wetgever die vertragingsschade voor rekening van de benadeelde heeft willen laten komen zodra de limiet voor de vervoersschade is volgelopen. Ook hier verwijst zij naar het Verdrag van Athene, waarin de rente buiten de limiet valt.
Partijen gingen ter zitting uit van een limiet van € 236.511,72 voor 2016, na inflatiecorrectie. Voor de ingangsdatum van de rente is bepalend wanneer het verzuim intrad. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de schade op 2 juli 2016 of 11 juli 2016 al op dat bedrag werd begroot, maar op basis van de schadestaat van 1 september 2022 wel dat dit op 20 oktober 2021 het geval was. NN moet de rente over € 236.511,72 dan ook betalen vanaf 20 oktober 2021 tot de dag van volledige betaling, rekening houdend met al betaalde voorschotten.
Ieder de eigen kosten
De overige vorderingen zijn afgewezen. Omdat de benadeelde grotendeels ongelijk kreeg, maar voor zijn rentevordering wel een procedure moest voeren, compenseert de rechtbank de proceskosten: iedere partij draagt de eigen kosten. Het vonnis is op het punt van de rente uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen dit vonnis staat hoger beroep open. Uit de uitspraak blijkt niet of een van de partijen dat heeft ingesteld.
(0)Comments