Jack Menke
Offshore-oliekoorts: lessen uit Guyana
Achter de offshore-oliedollars loeren grote ogen van domme gelukzoekers, eerlijke naïevelingen en gulzige multinationals op een 'geoliede' toekomst. Met zowel Engelse als Nederlandse koloniale bezetters kennen Guyana en Suriname al vóór de huidige offshore-oliekoorts een lange afhankelijkheid van mijnbouw. Beide landen doorliepen minerale koortsen zonder ontwikkeling: goud van 1875 tot circa 1910 en van 1980 tot heden; daarna vanaf 1916 bauxiet.
Deel 4 van de serie
Offshore-olie en 'oliedomheid'
belicht lessen voor Suriname uit de oliekoorts in Guyana.
Massale uittocht
Guyana
(i)
en Suriname zijn door achtereenvolgende delfstoffenkoortsen steeds in schijnwelvaart beland, met grote maatschappelijke ongelijkheid en armoede. Dit droeg in Suriname bij aan de 'Bijlmerexpres' naar Nederland (1969-1975), maar de buitenlandse uittocht uit Guyana was veel groter. Terwijl al meer dan de helft van de in Guyana geboren bevolking in het buitenland woont, wordt in 2026 de emigratie voortgezet vanwege de enorme maatschappelijke kloof die de offshore-oliewinning teweegbrengt.
Geopolitiek krachtenveld
De enorme olievondsten in het Guyana-Surinamebekken wakkerden vooral de belangstelling van de VS aan, met een investering van ruim 60 miljard dollar door ExxonMobil in het Stabroek-blok. Er is veel kritiek op de onevenwichtige overeenkomst die de PPP/C-regering van Guyana in 2016 sloot met ENH – een consortium ter waarde van miljarden dollars, dat bestaat uit ExxonMobil, China National Offshore Oil Company (CNOOC) en Hess. Hierin staat dat Guyana 52 procent van de olie-inkomsten ontvangt en Exxon en partners de rest. Deze overeenkomst betekent voor Guyana bijna 55 miljard dollar aan inkomstenderving, volgens een rapport uit 2020 van Global Witness.
De basis voor de mijnbouweconomieën van Guyana en Suriname werd gelegd tijdens de overgang van de negentiende eeuw naar de Tweede Wereldoorlog. Naast overeenkomsten tussen deze landen, zoals afhankelijkheid van mineralen, waren er verschillen. Kleine lokale producenten probeerden in Guyana – binnen het koloniale plantagesysteem – alternatieve economische mogelijkheden en diversificatie te creëren. Zij werden echter gedwarsboomd door het op buitenlands kapitaal gerichte koloniale beleid. Hierna werden in Guyana suiker en bauxiet de economische pijlers, totdat goud het overnam en nu offshore-olie. In Suriname verdween de suikermonocultuur uiteindelijk helemaal.
Een tweede verschil is dat vanaf de Tweede Wereldoorlog bauxiet de pijler werd van Surinames economie, terwijl in Guyana suiker een belangrijke economische sector bleef. Een derde verschil is de radicale arbeiders- en socialistische beweging in Guyana. Dit resulteerde in een antikoloniaal politiek platform en de multi-etnische socialistische People's Progressive Party (PPP), die de eerste verkiezingen in 1953 won. Uit angst voor een socialistische staat onder leiding van Cheddi Jagan en de PPP intervenieerden de Verenigde Staten en het Britse koninkrijk in Guyana in 1953. Zij wakkerden stakingen en etnische conflicten aan, wat bijdroeg aan het politiek uitschakelen van Jagan en het ondersteunen van Burnham.
Offshore-olielessen
De verwachting in Guyana is dat de 400.000 barrels olie per dag van 2024 in 2027 verdrievoudigd zullen zijn. Dit neigt weer naar 'groei zonder ontwikkeling', met als schaduwzijde de
grondstoffenvloek
: groeiende ongelijkheid, stijgende schulden en inflatie. Tegenover de verwachte olie-inkomsten van $2,8 miljard in 2026 is de nationale schuld tussen 2019 en 2026 gegroeid van $1,8 miljard naar meer dan $7,7 miljard.
De offshore-oliewinning sinds 2019 heeft in Guyana het inkomen per hoofd van de bevolking verhoogd van 6.000 dollar naar ruim 30.000 dollar in 2025. De Wereldbank voorspelt na een economische groei van 19,3 procent in 2025 een grotere groei, waarmee Guyana de snelst groeiende economie in Zuid-Amerika is. Dit brengt twee problemen met zich mee waaruit Suriname kan leren. Ten eerste ontstond door de olieboom de
grondstoffenvloek
. Ten tweede groeide de emigratie van vooral geschoolden, zoals leraren, ingenieurs en verpleegkundigen. De maatschappelijke ongelijkheid gaat steeds zwaarder wegen dan de schijnwelvaart. Guyana probeert tevergeefs de
grondstoffenvloek
te breken door verbreding van de economie buiten de oliesector, met investeringen in landbouw en goedkopere energie.
Conclusie
De Guyanese offshore-economie is oververhit: met een dagproductie in 2026 van 1 miljoen vaten stroomt olie sneller dan Guyana's instituten en infrastructuur kunnen dragen. De
grondstoffenvloek
tekent zich af in stijgende schulden, inflatie en toenemende ongelijkheid. Hoe voorkomt Suriname dat het door olie oververhit raakt en elites oliedom blijven, terwijl enkele gelukzoekers miljoenen oliedollars 'inlijven'? Dit zijn lessen voor Suriname, dat al te laat is om een institutioneel en maatschappelijk draagvlak te creëren en de economie te verbreden
vóór
de offshore-olieproductie in 2028.
Jack Menke
(i)
De kolonie Brits Guiana werd Guyana bij de onafhankelijkheid in 1966
Zie ook:
● Deel 1
: Offshore-olie en 'oliedomheid': Suriname op pad naar schijnwelvaart
●
Deel 2
: Local content voor offshore-olie: omkering van ontwikkeling
●
Deel 3
: Local Development versus Local Content
(0)Comments